Datacenters onder water: redding of nieuw milieuprobleem?

Gepubliceerd op 24 augustus 2026 om 11:15

De honger naar rekenkracht voor AI groeit sneller dan het elektriciteitsnet kan bijbenen. Steeds meer bedrijven kijken daarom naar een onverwachte plek om servers neer te zetten: de zeebodem. Zeewater koelt gratis, ruimte op het land is niet nodig en de weerstand van omwonenden speelt er niet. Maar is dit werkelijk de doorbraak die de sector zoekt, of verplaatsen we gewoon een probleem naar een kwetsbaarder ecosysteem?

Van experiment naar realiteit

Microsoft testte het idee jaren geleden al voor de kust van Schotland. Van de ruim 850 servers vielen er in twee jaar tijd slechts zes uit, een opvallend laag foutenpercentage. Toch stopte Microsoft het project in 2024, drie jaar nadat het de patenten vrijgaf voor algemeen gebruik. Inmiddels is China verder gegaan: in Shanghai draait sinds kort een windaangedreven onderwaterdatacenter van 24 megawatt, dat ruim 22 procent minder stroom verbruikt dan een vergelijkbare locatie op land. Waar koeling normaal goed is voor 40 tot 50 procent van het energieverbruik, daalt dat hier naar minder dan 10 procent. Ook een Noorse start-up wil dit jaar een testunit onder een drijvende windturbine plaatsen, met een groter commercieel project in het vooruitzicht voor de Britse kust.

Het onopgeloste vraagstuk

Het venijn zit in de warmte die deze systemen lozen. Die komt terecht in zeegebieden die vaak al kwetsbaar zijn, en niemand weet precies wat de oceaan op termijn kan verdragen. Stijgende zeewatertemperaturen door klimaatverandering maken de rekensom bovendien lastiger: het koelmiddel warmt zelf op. Daarbij blijft onderhoud aan apparatuur op de zeebodem een stuk ingewikkelder dan een bezoekje aan een serverhal op land.

De keuze voor zee lijkt dus minder een pasklare oplossing dan een verschuiving van het probleem: van stroomnet en achtertuin naar oceaan en ecosysteem. Welke kant zwaarder weegt, zal de komende jaren moeten blijken.